Plenaire sessie

Interview met Liesbeth Verhoeven van Bodymap , Wim Beyersvan de UGent over hoe een jongerenbrein werkt en Dirk Gabriels (VSV) over het belang van praktijkgerichte verkeerseducatie.

Wie is de eerste verkeersopvoeder van kinderen?  

Ouders zijn de belangrijkste opvoeder van hun kind. Ze begeleiden het bij zijn ontwikkeling tot iemand die zelfstandig kan meedoen aan de samenleving. Ze doen dat zo goed mogelijk en de meeste dingen lukken prima. Daarnaast zijn er “medeopvoeders”, andere personen die betrokken zijn bij de opvoeding, waaronder leerkrachten. Bij het takenpakket van leerkrachten zit ook een stukje verkeersopvoeding. Ouders daarentegen hebben heel veel kansen om verkeersopvoeding te geven elke keer wanneer ze met hun kind op pad gaan. Wellicht doen ze dat af en toe al maar de school kan hen stimuleren om dat nog meer te doen. Als je als school fietsles geeft, breng de ouders daarvan dan op de hoogte. Ook in het in het secundair onderwijs mag men gerust aan ouders vragen om de veiligste fietsroute te oefenen. De VSV heeft op de website Verkeeropschool.be een rubriek ouders met daarin flyers om ouders te informeren en sensibiliseren over verschillende verkeersthema’s.  

Waar moeten leerkrachten aan denken als ze verkeerseducatie geven op school? 

Als we de ontwikkelingsdoelen en eindtermen inzake verkeersopvoeding bekijken vanaf de kleuterschool tot en met het secundair onderwijs dan komen er overal 2 zaken terug. Kinderen en jongeren moeten kunnen meedoen in het verkeer met een vervoerswijze die op dat moment bij hun leefwereld hoort en ze moeten de verkeersregels kennen. 

Meedoen in het verkeer gaat over vaardigheden en attitudes. Het wil zeggen trainen: verkeersles is dus een praktijkvak. Je kan een echte verkeersles geven maar je kan ook op andere momenten aandacht besteden aan verkeerseducatie, bijvoorbeeld onderweg als je met de klas naar de bibliotheek gaat. Om de verkeersregels aan te leren was er tot voor kort enkel De Grote Verkeertoets in het vijfde leerjaar. Binnenkort kunnen scholen in elke graad de verkeersregels oefenen en testen.  

Jonge kinderen denken en doen anders dan volwassenen. Hoe komt dat?  

Kinderen zijn kleiner, ze zien zelf veel minder en worden ook minder gezien. Ze kunnen onstuimiger reageren, hun gezichtsveld is beperkter (pas rond 10 jaar breed gezichtsveld), kunnen geluiden ook niets steeds goed lokaliseren. Het inschatten van snelheden en afstanden staat ook nog niet op punt. Kortom, er zijn heel wat risico’s die eigen zijn aan kind zijn. 

Daarbij is hun motorische en zintuigelijke ontwikkeling nog volop aan de gang. We kunnen zeker stellen dat 9 à 10 jaar het minimum is om te verwachten dat kinderen het verkeer en bijhorende risico’s kunnen inschatten. Dit is althans een stelling die van vroeger wordt overgenomen. Maar het is niet voldoende om gewoon ‘9 jaar’ te zijn. De ervaring die het kind heeft kunnen en mogen opdoen zal hier een doorslaggevende rol zijn om bekwaam aan het verkeer te kunnen deelnemen. Er zijn kinderen van 15 jaar bv die helemaal nog niet ‘rijp’ zijn om zich veilig in het verkeer te bewegen. Er is een heel groot verschil tussen cognitief weten wat je moet doen en het goed en veilig kunnen toepassen in de reële situatie. 

Waarom is bewegen zo belangrijk voor de ontwikkeling van kinderen? Wat is de link met verkeer?  

Kinderen bewegen minder dan vroeger, daardoor gaat het evenwicht van kinderen achteruit. Evenwicht is een heel belangrijke basis voor de ontwikkeling van visuele vaardigheden, auditieve vaardigheden, reactiesnelheid, remvermogen, aanpassingsvermogen. Allemaal belangrijke vaardigheden die je nodig hebt in het verkeer. Ze zijn echter niet meer vanzelfsprekend aanwezig bij kinderen, ook niet bij oudere kinderen.  

We leren allemaal fietsen. Maar echt soepel, beheerst kunnen fietsen waarbij je de juiste reflexen kan tonen als het even fout gaat, is een minder evident gegeven. Het is belangrijk dat de stuurvaardigheid geautomatiseerd is, zodat je in het echte verkeer je focus kan leggen op de steeds verschillende verkeerssituaties.  

We moeten ons bewust zijn van de voorbereidingstijd die nodig is om kinderen eerst beweegvaardig te maken. Dat moet heel vroeg starten, een kind kan enkel sterk ontwikkelen door te bewegen.  

Jongeren nemen meer risico’s (ook in het verkeer). Hoe komt dat?  

Door de asynchrone ontwikkeling van hersenen tijdens de adolescentie: 

  • Eerst (vroeger en al voltooid bij start van puberteit) ontwikkelen de subcorticale hersengebieden, diep gelegen en oudere evolutionaire delen van hersenen.  
  • Pas later en langzamer ontwikkelen de prefrontale en pariëtale cortex, aan oppervlakte gelegen en evolutionair jongere delen van hersenen. Deze delen van de hersenen zorgen voor de controle van gedrag en emoties, zijn verantwoordelijk voor impulscontrole, cognitieve controle en het nemen van sociaal perspectief. Pas tegen het einde van de adolescentie (pakweg rond 25 jaar) zijn deze delen van de hersenen volledig ontwikkeld.  

De asynchrone ontwikkeling van hersenen is dus de verklaring voor de toename van impulsief risicogedrag, gedrag zonder na te denken over gevolgen en voor verhoogde emotionaliteit in adolescentie.  

Kunnen we het puberbrein beïnvloeden?  

Onderzoek toont aan dat de asynchrone hersenen van jongeren ervoor zorgen dat ze meer gevoelig zijn, opgewonden zijn en risico’s nemen in aanwezigheid van leeftijdgenoten en vrienden. De aanwezigheid van vrienden versterkt het risicogedrag door de activiteit in de hersenen in plezier- en beloningsgebieden te moduleren. De enorm belangrijke rol van aanvaarding en verwerping op deze leeftijd (erbij horen) is natuurlijk de verklaring.  

Als volwassene, leerkracht, ouder, opvoeder… kunnen we aan jongeren duidelijk maken dat ze met die asynchrone hersenen ook tot heel wat ander gedrag in staat zijn, bijv. creatief denken, out of the box denken, prosociaal gedrag, engagementen aangaan.  

Tip! Creëer mogelijkheden voor gecontroleerd risicogedrag, waarvan jongeren kunnen leren. Bv. in jeugdbewegingen zien we tal van voorbeelden van gecontroleerd risicogedrag. Maar ook in verkeersopvoeding kan dit een plaats krijgen. 

Hoe kan je de hersenontwikkeling van jongeren stimuleren? 

  1. Koppel nieuwe informatie aan wat jongeren al weten.
  2. Moedig overleg en discussie tussen jongeren aan. 
  3. Gebruik een variëteit aan leermiddelen en werkvormen. 
  4. Durf jongeren uitdagen en moedig hen aan tot kritisch denken! 

Bedankt aan de sprekers: 

Liesbeth Verhoeven, bewegingsdeskundige Bodymap Bodymap Opleidingscentrum – Bodymap 

Wim Beyers, hoogleraar Faculteit Psychologie & Pedagogische Wetenschappen – UGent 

Dirk Gabriels, coach educatie bij de VSV 

We gebruiken cookies op deze website om jouw gebruikerservaring te verbeteren.
Door verder te gaan, ga je hiermee akkoord. Meer informatie